… maar eigenlijk ben ik vier.
Toen mijn neefje Jim nog een klein mannetje was – en hij zijn tante Lara nog interessant vond (hij is nu 13 jaar) – kwam hij graag bij me logeren. Ik woonde toen nog in Eindhoven.
Voor logeetjes golden geen regels: eindeloos tv-kijken, een goedgevulde snoepla op grijphoogte, en – vaste prik – chips als ontbijt.
Net zoals ongelimiteerd poffertjes eten, de stad in voor een ijsje of een filmpje – en altijd met de bus. Lopen was te ver en met de auto naar het centrum? Dat kostte minstens een half uur én – veel belangrijker – vier ijsjes aan parkeergeld. En bij Jimmy thuis was er geen bus. Zo leuk om dan dat snoetje tegen het raam geplakt te zien.
Jim is nét vier geworden als hij weer een keer komt logeren. Vlak voor we de bus instappen, fluister ik hem samenzweerderig toe:
“Jim, je bent nu heel even drie jaar, goed? Dan mag je gratis mee met de bus. Dan kunnen we straks een extra grote ijsco kopen!”
Hij knikt, oogjes half dicht, onderdeel van het complot.
We stappen in de volle bus. Ik check in met mijn OV en terwijl ik tegen de buschauffeur zeg: “Hij is drie”, zie ik Jim richting de enige vrije stoel marcheren.
En terwijl hij, als een klein tinnen soldaatje met zijn armen en beentjes zwaait, zingt hij luidkeels:
“Ik moet zeggen dat ik drie ben, maar eigenlijk ben ik vier!”
De mensen in de bus lachen. De buschauffeur ook. Terwijl hij mijn rode hoofd bekijkt, zegt hij met een grijns:
“Loop maar door, hoor.”
Want ja – uiteindelijk wil iedereen gewoon gewaardeerd worden om wie hij of zij écht is.
En wie je bent, wordt bepaald door je hoogste waarden, dat wat jij het allerbelangrijkste vindt in het leven.
Voor jongetjes van net vier is dat dus níet drie moeten zijn. Al is het maar voor even. En zelfs niet voor een extra grote ijsco.


Geef een reactie